- Objectnummer01060
- TitelTabaksdoos met voorstelling van pijpmakersbedrijf 'De Sittende Vos'.
- VervaardigerBeest, H. van (vervaardiger),Begeer, Willem (opdrachtgever),
- Datum
1827
- Beschrijving
Zilveren tabaksdoos. Vorm: 'rechthoekige' doos met even gebolde bodem, rechtopstaande wanden met ronde hoeken. De eveneens even gebolde deksel draait op 9-kakige scharnier. Decoratie: op deksel ingegrift voorstelling uit het pijpenmakersbedrijf met het merk 'de Sittende Vos' in 'lofwerk' onder kroon. Aan de binnenkant van het deksel ingegrift W.F.B. 1827 H.B. Deze doos zal door Willem Begeer aan zijn zoon Hermanus zijn geschonken bij de overdracht van het merk 'de Vos'. Merken (informatie van de heer Begeer): meesterteken CK (3x); stadskeur Rotterdam; kantoorteken; op rand lopende leeuw.
- Nu te zien in het museum
- Soort object
- CollectieGeschiedenis van Gouda
- TrefwoordenGoudse pijpen
- Materiaal
- Formaat
- geheel hoogte: 2.00 cm
geheel breedte: 12.50 cm
geheel diepte: 7.50 cm - Opschrift(en)
- soortmerk
- inhoudmeesterteken CK (3x); stadskeur Rotterdam (kantoorteken) op rand lopende leeuw; 'de Sittende Vos'; W.F.B. 1827 H.B.
- Tentoonstelling(en)Een dynastie in zilver.2019-06-27 / 2020-03-08Nederlands Zilvermuseum Schoonhoven
- Documentatie
literatuur; zie plaat XVIII in de 'Goudse pijpen'.
- Tekstentekst vaste opstelling NL (2007)
Tabaksdoos Willem Begeer
zilver, gedreven, gegraveerd
Gedateerd: 1827
Merken: stadskeur Rotterdam; meesterteken: ‘CK’ (drie keer; firma Knuysting en Grebe?)
inv.nr. 01060
De voorstelling op de doos is ontleend aan een van de begrafenisschilden van het pijpenmakersgilde (zie rechts in deze vitrine). De pijpenmaker Willem Begeer heeft zijn merk ‘De zittende vos’ in de tabaksdoos laten graveren ter gelegenheid van het overnemen van zijn merk door zijn zoon. - tekst vaste opstelling NL (2007)
Vitrine 1. De ontwikkeling van het model. Het Goudse pijpenmakersgilde
Het roken is in de achttiende eeuw een aanvaarde gewoonte, ook al verzet de overheid zich er officieel tegen. Tabak is goedkoop en er wordt dus flink gerookt. Buitenlandse reizigers verbazen zich hierover. In het reisverslag van een Fransman is te lezen dat hij omstreeks 1750 wel driehonderd rokers telde in een herberg in Rotterdam. Hij klaagt over de rook die opstijgt uit de trekschuiten en die ‘de vossen uit hun holen joeg’.
De vraag naar kleipijpen stijgt en de Goudse bedrijven groeien in aantal en omvang. Zij investeren in de ontwikkeling van nieuwe modellen en het verbeteren van de kwaliteit door een vergaande arbeidsverdeling. Vanaf het einde van de zeventiende eeuw wordt de pijp met dikke steel en een kleine buikige kop vervangen door de pijp met een ketel in de vorm van een trechter, die meer tabak kan bevatten. Ook de wand van de ketel en de steel worden dunner. De steel zelf wordt langer. Vanaf ongeveer 1740 ontstaat uit de trechtervormige pijpenkop de ovale kop met een grotere inhoud voor de tabak.In het jaar 1660 krijgen de Goudse pijpenmakers toestemming van de stad om een gilde op te richten. Eerdere pogingen mislukten. Er wordt een bestuur gekozen en een reglement opgesteld. Alle pijpenmakers worden verplicht om lid te worden van deze vakvereniging. Het gilde regelt niet alleen de gang van zaken in de bedrijven, maar heeft ook een sociale functie. Zo heeft het bijvoorbeeld de zorg voor de begrafenis van een gildenbroeder maar ook de zorg voor de nabestaanden.
Tot de taken van het gilde behoort in de eerste plaats het registreren van de merken van de pijpenmakers en het regelen van de rechten en plichten van de bazen, knechten en leerlingen. Zo ziet men toe op de aanvoer van klei, en regelt de baklonen met de pottenbakkers die meestal de pijpen in hun ovens bakken. Daarnaast treedt het gildebestuur op bij geschillen en beschermt de Goudse producten zo goed mogelijk tegen oneerlijke concurrentie vanuit andere steden. Zo sticht het gilde een eigen markt in Gouda na een onenigheid over de staangelden op de Amsterdamse pijpenmarkt. In hetzelfde jaar mogen pijpenmakers niet langer meer zelf de pijpen verhandelen, zodat zij zich volledig wijden aan de verbetering van de kwaliteit van hun product. Het gilde richt ook een bank van lening op, ‘het pijpenpand’, waar pijpenmakers met tijdelijke financiële moeilijkheden, hun pijpen kunnen belenen. Als de handel in pijpen tegen het einde van de achttiende eeuw terugloopt, wordt zelfs een stadspijpenfabriek opgericht. In 1798 worden op last van de overheid, die dan in Franse handen is, alle gilden opgeheven. De bestaande gilderegels blijven echter gelden. In 1814 wordt een nieuw reglement voor de pijpenhandel opgesteld.




